Archiefstuk: Leopold Mozart: brief uit Milaan (1770), met een P.S. van Wolfgang

Ingediend door admin op vr, 06/08/2012 - 07:19

“Da bin ich auch, da habts mich.” Wanneer Wolfgang de pen van zijn vader overneemt, laat hij een ander personage het toneel opkomen. De vorige brief had hij ondertekend als “der nehmliche hanswurst”, “diezelfde Hansworst”, en ongetwijfeld speelt hij hier weer die rol. Hij schrijft alsof hij babbelt, en zal geen gelegenheid voorbij laten gaan tot woordspelingen of verwijzingen naar het onderlijf.

Er zijn erg weinig brieven van Wolfgang van voor deze datum, en tijdens de eerste Italiaanse reis van 1770 schreef hij meestal een naschrift bij de brieven van zijn vader. Zuinigheid met papier schijnt een gewoonte te zijn geworden van Leopold, want portokosten liepen hoog op; in Londen, in 1764, had hij met enige zelfspot geschreven: “De letters van mijn handschrift worden steeds kleiner, naarmate de afstand tot Salzburg toeneemt. Als we de oversteek zouden maken naar Amerika, zouden ze waarschijnlijk geheel onleesbaar worden.”

   

Leopold Mozart: brief aan zijn vrouw Maria Anna Mozart, 17 februari 1770, NMI Brievencollectie/1350

À Madame / Madame Marie Anne / Mozart / à / Salzbourg

No 10 aus Maÿland
2 März beantwortet

[1]
Maÿland den 17 Febr: 1770.
Dein Schreiben vom 9ten Feb: habe heut richtig erhalten. Ich hoffe der Husten wird dich / und die Nannerl verlassen haben. Wir sind, Gott Lob, beÿde gesund. daß der Winter / nicht so gefährlich in Italien ist wie der Sommer, will ich wohl glauben: allein, wir hoffen, / Gott werde uns erhalten; und wenn man seine Gesundheit nicht durch Unordnung und / überflüssiges fressen und Sauffen etc: verderbt, auch sonst keinen innerlichen Natursfehler / hat, so ist nichts zu besorgen. Wir sind aller Orten in der Hand Gottes. Mit Essen / und Trinken wird sich der Wolfg: nicht verderben. du weist, daß er sich selbst / mässiget; und ich kann dich versichern, daß ich ihn noch niemals so achtsamm / auf seine Gesundheit gesehen als in diesem Lande. alles was ihm nicht gut scheinet / lässt er stehen, und er isset manchen Tagen gar wenig; und befindet sich fett / und wohl auf und den ganzen tag Lustig und fröhlich. Ich schreibe dir dißes / im Grafl:
Firmianischen Hause beÿm HausHofmeister Sgr: Don Ferdinando unserm sonderhtl: / guten freund, und eben itzt kam der Schneider mit unsern Mänteln und Baiotten, / die wir uns musten machen lassen. ich sahe mich im Spiegl, da wir sie probierten, und / dachte mir: nun muß ich in meinen alten Tagen auch noch diese Narredeÿ mitmachen. / dem Wolfg: stehet es unvergleichlich an, und, da wir schon diese närrische Aus- / gaabe machen musten, so ist mein trost, daß man es zu allerhand anderen Sachen / wieder brauchen und wenigst zum Kleiderfutter, fürduch etc: gebrauchen kann.

 

À Madame / Madame / Marie Anne / Mozart / à / Salzbourg

Nr 10 uit Milaan
2 maart beantwoord

[1]
Milaan, 17 Febr. 1770
Je brief van 9 Febr. heb ik vanochtend correct ontvangen. Ik hoop dat jij en Nannerl nu vrij zijn van de hoest. Wij zijn beiden Godlof gezond. Dat de winter in Italië niet zo riskant is als de de zomer wil ik wel geloven: we hopen maar dat God ons zal behoeden; en wie zijn gezondheid niet ruïneert door ordeloosheid en overvloedig vreten en zuipen etc., en verder ook geen gebreken vertoont van de innerlijke natuur, heeft geen reden tot zorg. Wij zijn allerwegen in Gods hand. Met eten en drinken zal onze Wolfgang zich niet ruïneren. Je weet dat hij zich weet te matigen; en ik kan je verzekeren, dat ik hem nog nooit zo op zijn gezondheid bedacht heb gezien als in dit land. Alles wat hem niet goed dunkt laat hij staan, en op sommige dagen eet hij maar weinig; toch is hij vet en monter en de hele dag vrolijk en opgewekt. Ik schrijf je dit in het huis van Graaf Firmian bij de hofmeester Sgr Don Ferdinando, onze bijzonder goede vriend, en zoëven kwam de kleermaker met onze mantels en
bajotten [baute: Venetiaanse maskers], die we moesten laten maken. Ik zag mezelf bij het passen in de spiegel, en dacht: nu moet ik op mijn oude dag ook nog deze zotternij meemaken. Wolfgang staat het onvergelijkelijk, en aangezien we deze zotte uitgave toch moesten doen, is het een troost dat het nog voor allerhand andere zaken van pas kan komen en tenminste te gebruikt kan worden voor voering, boezelaars etc.

Morgen Kommen S:e D: der Herzog, und die Prinzessin von Modena |: die zukünftige / Braut des Erzh: Ferdinand :| zu S:r Ex: Grafen v Firmian den Wolfg: zu hören; / abends werden wir en Masque in die opera in galla fahren, nach der opera wird / der Ball seÿn, und dann werden wir mit dem Haus Hofmeister und seiner Frau auch wieder / nach Hause fahren. Kommenden freÿtag wird Accademia fürs ganze Publicum seÿn: / dann wollen wir sehen, was herauskommt. Ich kann dir also von unsern Umständen / eher nichts schreiben, bis wir nicht oder von hier weg, oder wenigst Reisefertig / sind. Viel wird in Italien nicht herauskommen: das einzige Vergnügen ist, daß eine / mehrere Begierde und Einsicht hier ist, und daß die Italiänr erkennen, was / der Wolfg: verstehet. übrigens muß man sich freÿlich meistens mit der 
[2]
Bewunderung, dem Bravo bezahlen lassen, wobeÿ ich dir aber auch sagen muß, / daß wir mit all nur ersünnlichen Höflichkeit aller Orten empfangen und beÿ allen / Gelegenheiten zur Hohen Noblesse gezogen werden.

Nun muß dir auf deine fragen antworten. H: Martin Knoller ist hier / in Mayland. wenn h: Deibl schreiben will, darf er nur unten setzen: / in Casa di S: Ex: di C: di Firmian:
Das Schreiben t: h: HofRath von Mölk habe empf: allein ich muß alle / diese Herrn, die mir geschrieben, bitten, mir zu verzeihen. Es ist unmöglich / daß ich schreibe, indem du weist, wie es auf Reisen gehet, sonderheitl: / da ich Herr, diener, und alles bin.
Die 2 Perspecktiv sind richtig, und längstens – längstens übergeben worden.
Wer hat doch diese Zeitung von Mantua übersetzet?

Der Wolfg: last Sr: Ex: der grafin von Arco die Hände unterthst küssen, / und danket für den geschickten Kuß, der ihm viel angenehmer ist, / als sehr viele junge Busserl.
Meine Emp: an ganz Salzb: – – ich bin dein alter
Mozart mp
wir küssen dich und die Nannerl.

 

Morgen bezoeken Z. Doorl. de Hertog en de Prinses van Modena (de toekomstige bruid van Aartshertog Ferdinand) Z. Exc. Graaf von Firmian om Wolfgang te horen; ‘s avonds gaan we en masque naar de opera in galla, na de opera zal het bal zijn, en dan zullen we door de hofmeester en zijn vrouw ook weer naar huis gebracht worden. Komende vrijdag zal er een openbare Accademia zijn: dan zullen we zien wat het oplevert. Ik kan je dus over onze situatie niets schrijven voor we hier vandaan zijn, of tenminste reisvaardig. Veel zal het verblijf in Italië niet opleveren: het enige genoegen is dat hier grotere nieuwsgierigheid en kennis van zaken is, en dat de Italianen inzien waartoe Wolfgang in staat is. Verder moeten we meestal genoegen nemen met
[2]
bewondering en 'bravo', waaraan ik wel moet toevoegen dat we overal met alle denkbare hoffelijkheid ontvangen worden en bij alle gelegenheden aan de Hoge Adel worden voorgesteld.

Nu moet ik nog op je vragen antwoorden. Dhr. Martin Knoller is hier in Milaan. Wanneer Dhr. Deibl wil schrijven, hoeft hij er maar onder te zetten: in Casa di S. Ex. di C. di Firmian.
De brief van Hofraad von Mölk heb ik ontvangen, ik moet echter al deze heren die mij hebben geschreven om vergeving vragen. Het is me onmogelijk om te schrijven, je weet immers hoe het gaat op reis, vooral omdat ik heer, dienaar en alles tegelijk ben.
De 2 verrekijkers zijn in orde en al lang, lang geleden overhandigd.
Wie heeft toch dat krantenbericht uit Mantua vertaald? –

Wolfgang laat H. Exc. Gravin von Arco alleronderdanigst de handen kussen, en dankt voor de kus die zij hem zond, die hem veel aangenamer is dan heel veel jonge zoenen.
De groeten aan gans Salzburg – ik ben je ouwe
Mozart m
[anu] p[ropria]
We kussen jou en Nannerl.

[Wolfgang:]
Da bin ich auch, da habts mich: du, Mariandel, mich freüet es recht von / arsch weg daß du so erschröglich -- lustig bist gewesen: den kinds- / menschen, der urscherl mit den kalten arsch sage: das ich immer meÿne, ich hätte ihr alle lieder wieder zurückgestelt, aber, Allenfals ich / hätte sie etwa in den wichtigen und hochen gedancken nach italien mit mir geschoben, so werde ich nicht ermangeln, wen ich es finde, in / den brief es hinein zu Prägen: addio, kinder, lebts wohl, der / Mama küsse ich Tausend mahl die hände, und dir, schicke ich hundert 
[3]
busserln oder schmazerl auf dain wunderbarres pferdengesicht, per far / il fine bin ich deiner ec:

 

[Wolfgang aan Nannerl:]
Daar ben ik ook, daar heb je mij: hee, Mariandel, dat doet me een kontsplezier dat je zo ontzettend -- lol hebt gehad: zeg die kindermeid, die Urschl met de kouwe kont, dat ik nog steeds denk dat ik haar alle liederen heb teruggegeven, maar in geval ik het in mijn diepe en gewichtige gedachten had meegesleept naar Italië, dan zal ik het zonder mankeren, als ik het vind, in de brief erbij proppen: addio, kinders, maak ‘t goed, Mama kus ik duizend maal de handen, en jou geef ik honderd
[3]
pakkers of smakkers op je wonderbaar paardengezicht, per far il fine ben ik uw etc:

[Leopold:]
Wir haben keine Cadenzen mitgenohmen. ja, ja. sie werden im Concert stecken! / die Concert wirst du in der Spartitur in meinem Kasten oben finden, wo die Synfonien / liegen, dort unter den Canabichischen abgeschriebenen Synfonien, liegen sie. 
du wirst wohl auch noch zu Zeiten singen? ––

 

[Leopold aan Nannerl:]
We hebben geen cadensen meegenomen. Ja, ja. Ze zullen wel in het concert zitten! De concerten vind je in partituur in mijn kast boven, waar de symfonieën liggen, onder de afschriften van die van Cannabich, daar liggen ze.
Je zingt toch nog wel bij tijd en wijle? ––

Zoals het nummer boven het zegel aanduidt, is dit de tiende brief die Leopold schreef aan zijn vrouw Maria Anna, sinds hij en Wolfgang uit Salzburg waren vertrokken op 13 december 1769. Leopold drong er bij zijn vrouw op aan dat ze de brieven goed zou bewaren (haar kant van de correspondentie is niet bewaard gebleven). Ze waren niet alleen een persoonlijk aandenken, maar ook de grondslag voor het monument dat hij het nageslacht wou nalaten. Leopold had de eerste tekenen van Wolfgangs buitengewone muzikaliteit al gauw geïnterpreteerd als een door God gezonden ‘wonder’, en hij maakte het tot zijn levensmissie om dat wonder te koesteren. Een paar maanden voor hij met Wolfgang naar Italië vertrok had hij de tweede editie gepubliceerd van zijn Gründliche Violinschule (de eerste was verschenen in het jaar van Wolfgangs geboorte, 1756), en hij gebruikte het voorwoord om zijn roeping wereldkundig te maken:

“Ik zou deze gelegenheid kunnen gebruiken om het publiek te onderhouden met een geschiedenis, zoals ze zich misschien maar eens per eeuw voordoet, en zich in het rijk der muziek zó wonderbaarlijk misschien nog nooit heeft voorgedaan; ik zou het wonderbaarlijke genie van mijn zoon kunnen beschrijven; diens onbegrijpelijk snelle vordering op het gehele terrein der muzikale wetenschap, van zijn vijfde tot in het dertiende levensjaar, uitgebreid vertellen [...].”

Dit deed hij natuurlijk niet; hij warmde de lezer op voor het relaas dat hij voornemens was te publiceren ná de Italiaanse reis, die hij niet verzuimde te vermelden. Dit biografisch verslag is niet gerealiseerd.

Toen Leopold met zijn zoon de eerste muzikale reis door Italië maakte, was Wolfgang dertien jaar oud. Na de grote rondreis van 1763-66, tijdens welke ze Duitsland, Frankrijk, Engeland, Nederland en Zwitserland hadden bezocht, hadden de Mozarts slechts drie jaar in Salzburg doorgebracht, en deze periode was nog onderbroken door een verblijf in Wenen. In 1769 was Nannerl achttien jaar, te oud om op te vallen als pril talent. Wolfgang bevond zich in een stadium tussen wonderkind en vroegrijp genie; het kan het juiste moment hebben geleken om om kennis te nemen van de muziek en carrièremogelijkheden die Italië te bieden had. Bezorgd om de kosten van de reis besloot Leopold dat de vrouwen in Salzburg achter moesten blijven.

Als vader van het ‘wonder’ is Leopold door historici zeer verschillend beoordeeld. Aangezien hij zoveel moraliseert in zijn brieven is de verleiding groot om ook óver hem te moraliseren. Ook al schreef Leopold met een zijdelingse blik op het nageslacht, toch is het hachelijk om de man te beoordelen op basis van zijn brieven, die aangepast waren aan zijn correspondenten en geschreven in omstandigheden die we maar zeer ten dele kunnen overzien. In elk geval was Leopold niet slechts een competent musicus en auteur van een hooggeprezen vioolmethode, maar ook een intellectueel ambitieus en onderlegd man, die zich superieur voelde aan vele collega’s. Niet alleen las hij veel, hij zocht ook contact met de literaire wereld. Een van zijn briefcontacten was Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769), wiens werken destijd gezien werden als standaard voor een nieuwe Duitse schrijfstijl, gekenmerkt door een mengeling van gematigde spontaniteit, geestigheid, en een dosis gezonde moraal. Hij was ook auteur van twee handboeken voor het schrijven van brieven. Mozart jr. schreef een oneerbiedig grafschrift voor hem onder zijn vaders brief uit Milaan van 26 januari: “Nieuwtjes heb ik niet behalve dat Meneer Geleerd, de poëet uit Leipzig, is gestorven, en sindsdien geen poëzie meer heeft geproduceerd.”

De buitengewone gaven van zijn zoon maakten van Leopold een man met een roeping. Hij maakte zich volledig verantwoordelijk voor Wolfgangs opleiding en muzikale voortgang. Zijn rol als mentor zal waarschijnlijk zijn zelfbeeld bevestigd hebben als niet alleen musicus, maar ook man van de wereld, moraalfilosoof en medisch expert. Jammer genoeg legden de Europese reizen hem ook de taken op van manager, secretaris en bediende. Dat zijn verdienste als pedagoog minder opviel was haast onvermijdelijk: alle aandacht voor zijn aandeel zou de glans van het wonderkind hebben verminderd. Toen Wolfgangs leven zich ontwikkelde op een wijze die hij niet kon controleren of goedkeuren, en hijzelf herhaaldelijk werd gepasseerd voor promotie, vond de vice-kapelmeester van Salzburg steeds meer redenen om zich slachtoffer te voelen.

De zaken verliepen echter zeer bevredigend in Milaan, waar ze arriveerden op 23 januari 1770. Milaan was de hoofdstad van Lombardije, onder Habsburgs bewind, en Leopold had zich in Salzburg een aanbeveling verschaft voor Graaf Karl Joseph Firmian, gouverneur van Lombardije, die naam had als beschermer der kunsten. Na het openbare concert (Accademia) op 23 februari gaven ze, op aandringen van Graaf Firmian, nog een concert in zijn paleis op 12 maart. Het programma omvatte onder meer de nieuw gecomponeerde aria’s KV 88 (Fra cento affanni) en KV 77 (Misero me), die voldoende indruk maakten om Wolfgang te verzekeren van de opdracht een volledige opera te schrijven voor de carnavalsperiode in december (Mitridate, re di Ponto). De succesvolle productie was goed voor 22 voorstellingen.

 

Leopold Mozart
(Pietro Antonio Lorenzoni)

 
Galimathias Musicum (Den Haag 1766), Mozarts handschrift in het NMI
 

“Scatologie”, een verschijnsel dat bloeit in Wolfgangs naschriften, en vooral in de beruchte brieven aan zijn nichtje, de Bäsle-Briefe, is bijna uitgegroeid tot een aparte tak van Mozart-expertise. Genoeg is er geschreven over de socioculturele context om een karakterisering van deze vorm van humor als ‘pathologisch’ van de hand te wijzen; toch kan de voortdurende aandacht voor anale functies de lezer obsessief voorkomen. Misschien is alle publieke belangstelling voor het wonderkind een verklaring voor deze voortdurende hansworstiades. In de eerste uitgave van deze brief, in Georg Nissens biografie van 1828, was het woord “arsch” weggelaten. De eerste ongekuiste, maar onvolledige uitgave was de Engelse vertaling van Emily Anderson. Het kindermeisje (Kindsmensch = Kindsmagd) dat hier betiteld wordt als “urscherl mit den kalten arsch” (“hier wohl wörtlich gemeint”, volgens de redacteurs in MBA V) is niet geïdentificeerd. Het is waarschijnlijk dat haar naam niet eens Ursula was; in een andere brief (31 augustus 1784) noemt Wolfgang een kokkin “Ursula mit dem kalten Loch”; en Goethe heeft in een onvoltooide klucht getiteld Hanswursts Hochzeit (1775) een personage opgenomen met de naam “Ursel mit dem kalten Loch”. Aangezien in dit stuk “alle Duitse scheldwoorden als personages optreden”, moet het een gangbare benaming zijn geweest.

Tekst en vertaling: Lodewijk Muns, 24-8-2012

 

Goethe:
Tag- und Jahreshefte. Von 1769
bis 1775

Aus meinem Leben. Dichtung
und Wahrheit

Hanswursts Hochzeit oder der
Lauf der Welt

 


 

Online uitgaven:
Briefe und Aufzeichnungen zu W. A. Mozart und seiner Familie aus den Beständen der Stiftung Mozarteum Salzburg, hrsg. von Anja Morgenstern,

Met vertalingen en annotatie:
Eisen, Cliff et al. Mit Mozarts Worten . Version 1.0, hrsg. von HRI Online 2011.


Voornaamste bronnen:

Halliwell, Ruth. The Mozart family: four lives in a social context. Oxford [England]; New York: Clarendon Press 1998

Hildesheimer, Wolfgang. Mozart. Frankfurt am Main: Suhrkamp 1977.

MBA = Mozart, Wolfgang Amadeus et al. Mozart: Briefe und Aufzeichnungen: Gesamtausgabe hrsg. von der Internationalen Stiftung Mozarteum Salzburg; gesammelt und erl. von Wilhelm A. Bauer und Otto Erich Deutsch. Bd. I, 1755-1776; Bd. V. Kommentar I/II (erläut. von Joseph Heinz Eibl), 1755-1779. Kassel [etc.]: Bärenreiter 1962, 1971.

Mozart, Wolfgang Amadeus. Mozarts Bäsle-Briefe: hrsg. und kommentiert von Joseph Heinz Eibl und Walter Senn. Kassel: Bärenreiter 1978.

Mozart, Wolfgang Amadeus et al. The letters of Mozart and his family: chronologically arr., transl. and ed. with an introd., notes and indices by Emily Anderson. London: MacMillan and Co 1938

Nissen, Georg Nikolaus von. Biographie W.A. Mozart’s. Nach Originalbriefen, Sammlungen alles über ihn Geschriebenen mit vielen neuen Beylagen ... Von Georg Nikolaus von Nissen. Nach dessen Tode herausgegeben von Constanze, Wittwe von Nissen, früher Wittwe Mozart. Leipzig: Breitkppf und Härtel 1828.

Sadie, Stanley. Mozart. New York: Grossman
1970.

Schroeder, David P. Mozart in revolt: strategies of resistance, mischief, and deception. New Haven: Yale University Press 1999.

Solomon, Maynard. Mozart: a life. New York, NY: Harper Collins 1995.

Labels