Archiefstuk: een violist-aviateur (1913)

Ingediend door admin op vr, 08/03/2012 - 12:08
De tengere jonge man op de foto is Arthur Monnier Harper (1888-1916), een uitzonderlijke figuur onder de Nederlandse luchtvaartpioniers. De in Ierland geboren vioolvirtuoos werd door tijdgenoten gezien als buitengewoon begaafd, maar door zijn veelzijdigheid en rusteloos temperament, èn door zijn tragisch korte leven is zijn talent nooit tot volle ontplooiing gekomen. Twee archiefdozen met composities getuigen van zijn ambitie als componist.
 
   
f9866

Foto door D. Pander, Leiden, vermoedelijk genomen nabij Warmond aan de Kagerplassen, ca. 1913
 


Het vliegtuig op deze foto draagt de naam van zijn dochter, Lygia. De vrouw op de achtergrond is vermoedelijk zijn echtgenote Anny Herckenrath. Monnier Harper kan niet ouder zijn geweest dan zeventien toen hij trouwde met de twee jaar oudere, uit Apeldoorn afkomstige Anny. Een anonieme, getypte levensschets in het archief vertelt het volgende, niet bevestigde verhaal:

Bij de proefvlucht van het toestel dat hij naar zijn dochtertje Lygia noemde, vloog het toestel, toen het even boven de grond was in brand. Zijn kind was naast hem gezeten, maar de Moeder hing aan een van de vleugels, en riep luidkeels om haar kind, dat ze misschien terecht in doodsgevaar waande. Vlug daalde Arthur neer, zette het kind op de begane grond, en hielp ijverig mede met het blussen van het kleine brandje, om weer vol moed door te gaan met zijn experimenten.

Monnier Harper is in 1888 geboren in Belfast. Van zijn vader, Andrew Harper, weten we niets dan wat achterop een foto vermeld staat: “door de IRA vermoord in Québec, Canada”. De Franstalige moeder, Sophie Monnier, had een glansrijke muzikale carrière op het oog voor haar getalenteerde kinderen, Arthur en de jongere St. Clair, die cello speelde. In 1899 of 1900 vestigde ze zich met beide zoons in Brussel, waar Arthur in de leer ging bij César Thomson, bekend om zijn virtuoze techniek. Muzikale finesse leerde hij bij Eugène Ysaÿe.

Op 19 december 1905 trad Monnier Harper op in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Voor de vioolminnaars een opwindende week: op de avond ervoor speelde Carl Flesch, daags erna kon men Fritz Kreisler horen. Misschien voelde de zeventienjarige zich daarom onder druk om zijn kunnen als ‘klassiek’ violist te bewijzen. Op het programma stond onder meer het vioolconcert van Mendelssohn, dat hij verving door dat van Beethoven (met pianobegeleiding); enkele romantische karakterstukjes moesten wijken voor Bachs fuga in g kl.t. Te hoog gegrepen, volgens de nestor van de muziekkritiek, Daniël de Lange, in Nieuws van den Dag. Hij vindt de jonge kunstenaar niet rijp genoeg om “op eigen voeten te staan”, laakt zijn “technische en rhythmische oneffenheden” en “phantastische, vaak ongemotiveerde opvatting en voordracht”. “En toch boezemde deze kunstenaar belang in,” geeft hij toe. Een eigen sonate van Monnier Harper werd in het programmaboekje toegelicht door een hoogdravende Franse tekst over “immerdurende extase in het aangezicht van de grandioze Religie der Natuur”. De Lange beschrijft dit werk als “rhapsodisch van gestalte, de “Sturm und Drang-periode” barst er van alle kanten uit, maar men bespeurt juist daardoor welk een machtig streven er in het binnenst van den schrijver leeft.” En ook in zijn kleinere werken “voelt men de polsslag van een bruischend gemoed”. Studie en zelfkritiek zijn volgens de recensent wat hij nodig heeft.

 


f9829

Arthur Monnier Harper, Anny Harper-Herckenrath, Lygia, ca. 1913. Een of meerdere personen zijn van de afbeelding afgescheurd.

 

Daniël de Lange (1841-1918)

 
Maar het gemoed van deze kunstenaar is te "bruisend" om de les ter harte te nemen. Met grote passie volgt hij andere interesses, zoals toneelspel en beeldhouwkunst. De anonieme biografische schets in het archief spreekt van een “nihilistisch toneelstuk” getiteld La main de fer dat hij in zijn Brusselse studietijd zou hebben geschreven en opgevoerd, met zichzelf in de hoofdrol. De voorstelling had zo’n oproerig karakter dat ze werd onderbroken door de politie. Ook had hij een fascinatie voor de snijkamer van de medische faculteit. Zijn in klei uitgevoerde sculpturen stelden hoofdzakelijk “stervende mijnwerkers” voor.

De sprong naar de grote podia heeft Monnier Harper daardoor niet gemaakt, en misschien niet geambiëerd. Intussen heeft hij zich gevestigd in Scheveningen en speelt gedurende één seizoen in het Residentie-Orkest. In de provincie wordt zijn vioolspel beloond met enthousiast applaus en lovende kritieken. Sarasates Zigeunerweisen en Wieniawski’s Légende laten hem van zijn beste kant horen. Zijn hang naar theater drijft hem naar het variété; een advertentie uit 1911 kondigt hem aan als “componisten-imitator” in het Amsterdamse Bioscope-Theater, en foto’s uit 1910 tonen hem gekostumeerd als Paganini, Wagner en Liszt bij optredens in het Londense Coliseum, in een variety bill rond de legendarische actrice Sarah Bernhardt.

Dezelfde theatrale stijl van optreden bezigt hij in zijn reguliere concerten. In maart 1913 treedt hij op in Middelburg, en herinnert de recensent en muziekuitgever A.A. Noske aan karikaturen van Liszt, Paganini en Berlioz (over Monnier Harpers gekostumeerde optredens zegt hij niets). Ook Noske spreekt van effectbejag, van slordigheden en willekeurige tempi. Als toegift speelt de violist Schumanns Träumerei – volgens de fijngevoelige Noske een welkom kalmeringsmiddel: “anders zouden visioenen uit de virtuozen-caricaturenwereld mij allicht in mijn nachtelijken droom hebben vervolgd” (Middelburgsche Courant, 5 maart 1913).

In december van dat jaar geeft Monnier Harper zijn laatste concert, in het Haagse Diligentia. Zijn goede vriend en collega-violist, Louis Couturier, schrijft een merkwaardige recensie, waarin hij de concertgever persoonlijk toespreekt. Ondanks alle sympathie klinkt er spijt in door dat hij die “aartszigeuner, ras-bohémien” niet oprecht alle lof kan toezwaaien: “Ongescheurd ben je er in al die jaren niet afgekomen, je hebt een leelijk glissando gekregen, je weet wel, wat jonge dames zoo mooi vinden, maar wat jij en ik vroeger toch altijd ‘likkepotterij’ noemden” (ongeïdentificeerd knipsel in het archief). Een anoniem verslag van hetzelfde concert spreekt van een “navrante intensiteit” in zijn spel.

De verslagen over zijn laatste levensjaren zijn vaag. Al vóór 1910 schijnt zijn gezondheid zwak geweest te zijn. Na het concert in Diligentia wordt hij getroffen door een beroerte en raakt aan één kant verlamd. Daar komt tuberculose bij, en hij brengt maanden door in sanatoria. In de laatste fase wordt hij door zijn moeder bij een bevriende Haagse familie verzorgd. Van Anny Herckenrath is hij dan al gescheiden. Frederik van Eeden, de auteur van De kleine Johannes (later in het Frans vertaald door Sophie Monnier) bezoekt hem een aantal malen. Van Eeden, literator, arts en psychotherapeut, is ook een utopisch socialist met een hang naar het mystieke, die bij moeder en zoon een gretig gehoor vindt. Een glimp van Arthurs laatste levensjaar (1915) krijgen we dankzij Van Eedens gepubliceerde dagboekaantekeningen en brieven.

  f9827br

Onderschrift: "Monnier-Harper as Paganini played at Colesium [Coliseum] with Sarah Bernardt [Bernhardt]" (1910)
 
 
 
 
 
Op 15 mei beschrijft Van Eeden hem als

[...] sints een jaar halfzijdig verlamd en sprakeloos. Zijn arme moeder zag uit op mijn komst als op die van den Messias, zeide ze. Haar dankbaarheid was grenzeloos. De verlamde was al dien tijd verpleegd in een sanatorium bij een ongevoelige doctor, die weinig aan hem deed, hem vrijwel verwaarloosde. Een antipathiek, grof, hebzuchtig persoon.

Op 30 september (brief aan Henri Borel):

Ik was bij Harper en zal doen voor hem wat ik kan, maar ik weet nog niet of het noodig is dat jij en ik zijn verpleegkosten betalen. Er zijn er die het beeter kunnen doen. Hij hoeft gelukkig niet geopereerd. Maar dat in de knie is t.b.c. Ik was zeer geroerd toen ik bij hem was en had moeite mij goed te houden. Ik zelf zweefde booven diepe weemoedsafgronden.

Op 15 november (dagboek):

Met Harper en zijn moeder praatte ik rustig en lang. Hij kuste mijn handen. Ik sprak oover een gedachte van mrs Harper, dat het kind, bij zijn geboorte een moeder vindt die het liefheeft, koestert en verzorgt, en dat dan ook wel zeeker, bij ons verlaten van dit lijf en de weedergeboorte daarna, wij ook een moeder zullen vinden, die ons verwacht en ons helpen zal.

Op 24 december:

Bij Harper was het ook droevig. De jongen scheen mij nagenoeg stervende. Hij is nu met zijn moeder bij Boon aan huis. Maar de twee vrouwen kunnen nu elkander weer niet verdragen. En moeder en zoon snakken naar een eigen huisje. ▫ Dit verlangen gaf hem plotseling kracht tot spreeken, hij zei: my own mother, home! ▫ Het kwam mij voor alsof hij dat alleen doen kon door de nabijheid van den dood. Nu nam, als 't ware, het astraal-lijf de functie oover van de verwoeste hersendeelen, en liet hem spreeken, zooals de afgestorvene de organen van het medium gebruikt. Ik zeide hem: you will have your home, my boy! Maar ik bedoelde het ‘Home’ aan géne zijde.
 

Frederik van Eeden (1860-1932)
in dbnl (dagboek, brieven).

De "ongevoelige doctor" is vermoedelijk de vermaarde Haagse neuroloog G.C. Bolten (1872-1940). Op 28 november 1917 spreekt Van Eeden van "den aartskwakzalver Bolten, den geldwolf, die ook Monnier Harper in zijn macht had".

De geciteerde brief aan Henri Borel, in het oorspronkelijke handschrift niet van jaartal voorzien, is in de uitgave abusievelijk gedateerd 1916 (handschrift in het Letterkundig Museum, Den Haag).

Ongepubliceerde brieven van Arthur Monnier Harper en zijn moeder aan Frederik van Eeden bevinden zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.

Arthur Monnier Harper overlijdt op nieuwjaarsdag 1916, en wordt op 5 januari begraven op Nieuw Eykenduynen. Op 22 januari vindt een herdenkingsconcert plaats in Diligentia, waar Van Eeden spreekt. De auteur bezoekt regelmatig spiritistische scéances, en ontvangt op 11 februari een boodschap van de gestorvene dat deze rust gevonden heeft.

De dood heeft een zwaar stempel gedrukt op dit leven. Arthurs eigen vroege dood werd voorafgegaan door de dood van zijn jongere broer St. Clair op vijftienjarige leeftijd. Foto’s van Arthur en zijn moeder bij het doodsbed geven de indruk van een haast theatraal beleefde tragiek. Wie het archief doorzoekt kan gegrepen worden door een makabere, Edgar Allan Poe-achtige sfeer. Ook Monnier Harpers verschijning draagt daartoe bij, met zijn zwarte haar en lichte blauwe ogen - “vreemde helderziende oogen” volgens een In memoriam in de NRC (23 januari 1916); “over zijn heele wezen lag een pijnlijke onrust, die ook in zijn vioolspel doortrilde.” Tijdgenoten beschijven hem als open, kinderlijk en te fijn besnaard voor de ruwe kanten van het leven.

Een vreemd contrast vormen Monnier Harpers luchtvaartexperimenten, die wel bovenal een uitdrukking zullen zijn geweest van zijn verlangen om ‘het aardse’ te ontstijgen. Maar ze hadden ook een praktische, financiële kant. In een ongedateerde brief aan zijn moeder spreekt hij de verwachting uit dat er met een watervliegtuig (hydroplan) veel geld te verdienen valt. Waarschijnlijk is zijn enthousiasme voor de luchtvaart ontvlamd in 1909, het jaar dat Blériot het Kanaal overstak en ook de eerste vlucht boven Nederlands grondgebied plaatsvond. De foto’s in het archief laten drie verschillende, gedeeltelijk door hemzelf gebouwde toestellen zien. Eén ervan is het watervlieg op de foto hierboven. Een ander, op de afbeelding hiernaast, is waarschijnlijk het in bamboe uitgevoerde model met bewegende vleugels, beschreven in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 2 augustus 1911. Of dit gevlogen heeft is twijfelachtig; geen van de foto’s toont een toestel los van de grond. Toch meldt een ongedateerd krantenknipsel in het archief “dat gistermiddag omstreeks 6 uur de heer Monnier Harper de voldoening mocht smaken, met zijn vliegmachine, waarin de heer J. Lampe als passagier had plaats genomen, zich eenige meters boven den grond te verheffen.”

  monnier-eykenduynen3

Graf Arthur Monnier Harper, Nieuw Eykenduynen, Den Haag (2012)
In Scheveningen sticht hij als vertegenwoordiger van de Londense Weston Hurlin Company, een leverancier van onderdelen, een “watervliegschool”, waarvoor het terrein wordt afgestaan door het Departement van Oorlog (Avia, 2/5, 1 juli 1912, p. 57-58, en 2/7, 1 augustus, p. 81). Begin 1913 wordt hij genoemd als leerling van de vermaarde Adriaan Mulder bij vliegschool De Kampioen te Ede (Algemeen Handelsblad, 17 januari 1913). Van Adriaan Mulder weten we hoe het afliep:

Maar alsof mij nog niet genoeg tegenslag had getroffen, werd ons kamp nog bezocht door een brandramp, waarbij de hangar met haar zes toestellen, alle onderdeelen, mijn lauwerkransen, kortom heel ons hebben en houden een prooi der vlammen werd. [...] Het toestel van mijn vriend Monnier Harper ging ook in't vuur verloren. (Het Vaderland, 1 april 1936)

Lodewijk Muns, 3-8-2012

  f9860ar

Arthur Monnier Harper en
Anny Herckenrath (?),
nabij Apeldoorn, ca 1911
 

   

Labels