Archiefstuk: “Een componistje”: F. Nieuwenhuysen aan J.P. Kleyn (1783)

Ingediend door admin op do, 11/08/2012 - 14:27

Deze onbekende brief van de Utrechtse musicus Frederik Nieuwenhuysen begint met een quasi-formele aanhef, maar krijgt gaandeweg een steeds lossere toon. Het gebeurt niet vaak dat we een Nederlandse pre-romantische componist zo openhartig horen spreken over zijn métier, mèt zorgvuldig geschreven notenvoorbeelden en een dosis niet onverdiende zelfspot: "... het begint immers al een weinig na een Componistje te lijken".

Aan den Wel Ed: Heere Mr J:P: Kleijn!
Frederik Nieuwenhuijsen, Klokkespielder, und Orgelslaager,
te Utr: doet aan zijn vriend en broeder, den poëticus Kleijn,
weeten dat hij ontvangen heeft, op Zaterdag morgen, de brief
van Uw Wel Ed: - uw broeder en zuster bedanken uw vriendelijke
voor dezelve; - uw Forte bien zende ik aanstaande
Zaterdag over agt dagen van Utrecht, ondertusschen
maake ik een en ander musiq vaardig. - Wij zijn
beijden zeer welvaarende.

 

   

Daar is de Marsch van 't Exercitie genoodschap, Klein
daar is de Retraite, daar is de Troep af. - Die
word gebruikt wanneer ze naar huis trek-
ken en als ze de vaandels t'huis brengen. -
Alle 3 hebben ze schoonheeden, en vuur in de
compositie. - Dezelve waaren al gedestineerd voor
J:P:K:. ik heb na de eigen partijen van de Hr Gordon
ze voor het clavier gezet.

Ik bedank uw - voor het onderigt, der Atheensche [?] ge-
vallen, - dat heeft al weer een goede keer voor uw
genoomen, dank God, voor zulk eene bestiering!
Een 2de ziel te bezitten, welke verslaaft is aan
coquetterie - en redeloos omtrent den godsdienst,
laat de zulken nooit een oogenblik aandenking
der liefde bij uw genieten, - en wanneer het uit-
wendige schoon, innerlijk zo gesteld is, - Klein dat
zijn adders die in het gras leggen, - men ziet ze niet. -

[p. 2]

Eerste Choor. 't begin van de cant[ate] de Starrenh[emel]
[Muziekvoorbeeld]
Wanneer hier of daar nog een kleinigheid verholpen is, dunkt
mij zal het wel vor den draad durven koomen. Jammer
is het dat ("nagt (en) gezang") in eene regel voorkoomen.
[Muziekvoorbeeld]
Hier is het woord gezang met expressie gezet, maar nu is
("de nagt") in 't geheel niet expressief, - ook komt 'er zin-
snijding in de muzijk, "de nagt zal ons" hier is een rusting
die in de muzijk wel goed, maar met de poëzij vergeleken
niets goed uitdrukt. En de regel kan en mag maar 4 maten

uitmaken. Egter is het tog jammer dat zulk een woord niet

[p. 3]

kan uitgedrukt worden. - Wat zegt gij Klein, begin
ik niet aardig te leeren, het begint immers al een
weinig na een componistje te lijken, ja, ja,
Klein, - op mijn 99 jaar verzeker ik uw, zal ik uw
niet meer verveelen met mijn compositie, tegen
die tijd maak ik zulke ariaas
[Muziekvoorbeeld]
Nu vriend lief, het gaat ons in den gruwelijken
staat, heel wel, - dat is te zeggen, ik en mijn wijf
zijn nog goede vrienden, en schikt dat niet meer
dan ga ik met Jochem de Spinder mijn dienst
aanprezenteeren om in andere plaatzen Hoëzee
te schreeuwen. Zie daar Klein, al wat ik uw
te zeggen had, op een ander tijd eens weer wat
niet alles te gelijk, want mijn pen en inkt kan
ik niet alleen aan uw gebruiken, gij moet
weeten dat ik ook muzijk moet schrijven.

Leef gelukkig
denkt veel om uw

vriend Nieuwenhuijsen

Utrecht
den 24 Junij
1783

Cornelia laat uw groeten
ook doeze uw bij dezen weeten
dat het begint te vorderen
met het timmeren.

Frederik Nieuwenhuysen (1756-1841), geboren in Zutphen, was van 1778 tot 1840 organist en beiaardier van de Utrechtse Dom, en sinds 1784 ‘phonascus' van het Collegium Musicum Ultrajectinum (stadsmuziekcollege). In die functie droeg hij verantwoordelijkheid voor de bladmuziek en instrumenten. We zien in deze brief aan zijn vriend J.P. Kleyn dat hij ook herstelwerkzaamheden uitvoerde. Fortbien (niet ‘forte bien') is een benaming voor tafelpiano's, geïntroduceerd door de bouwer Christian Ernst Friderici.

Joannes Petrus Kleyn (1760-1805) leerde Nieuwenhuysen kennen tijdens zijn studietijd in Utrecht. De jonge jurist publiceerde in 1782 een bundel Oden en Gedichten. Daarover schrijft hij aan zijn vriend Jacobus Bellamy (3 juli 1782):

Mijne oden schijnen wel te bevallen. Nieuwenhuizen is dapper bezig om de heerlijkste melodiën, voor enigen derzelver te componeeren. eene rigtige genie straalt overal in die Stukken door die hij reeds vaardig heeft - ze doen zoo veel gevoelen als de woorden uitdrukken. [...] in één woord ik verheuge mij dien vriend te hebben leeren kennen. ik heb dagelijks les van hem.

De dichter heeft Utrecht na zijn promotie tot meester in de rechten in 1782 verlaten. Hij brengt de volgende jaren met zijn vrouw Antoinette Ockerse door op zijn landgoed nabij Hoge en Lage Zwaluwe. De door Nieuwenhuysen getoonzette gedichten van Kleyn en Ockerse zijn sentimenteel van toon, naar voorbeelden uit de Duitse Empfindsamkeit.

Door Kleyn en het dichtkundig genootschap Dulces ante omnia Musae komt Nieuwenhuysen ook zelf in contact met Bellamy, een uit Vlissingen afkomstige theoloog die gedichten publiceert onder de naam Zelandus.

 

oden011

Musicq op de Gedichten van Mr J.P. Kleijn en Vrouwe A. Kleijn geb. Ockerse. Gecomponeert door F. Nieuwenhuijzen, Organist en Klokkenist der Domkerk te Utrecht (1792)

J.P. Kleyn, Oden en Gedichten (1782)

Nijland Dl. 1, p. 201

Nederland beleeft rond 1783 woelige tijden, en de gebeurtenissen vinden hun neerslag in de werken van Nieuwenhuysen en zijn vrienden. Nederlandse steun aan de Amerikaanse Onafhankelijksheidsstrijd was de aanleiding tot de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Bellamy-Zelandus wordt beroemd met zijn Vaderlandsche Gezangen (1782-1783).

 

Zelandus, Vaderlandsche Gezangen (1783)

Hierin is de tekst opgenomen van een cantate getiteld De Doggersbank, ter herinnering aan een zeeslag in 1781 waarin de Nederlandse vloot zich heldhaftig had geweerd. Deze behoort, volgens een aantekening van Bellamy, tot ‘de bataille de Doggersbank, gecomponeerd door mijnen vriend den Heere F. Nieuwenhuijsen'. In de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek wordt het manuscript bewaard van een cantate De Doggersbank van Nieuwenhuysen, maar deze is geschreven op een tekst van Hiëronymus van Alphen, een andere Utrechtse dichter met wie Nieuwenhuysen in contact was.

Binnenslands woedt een politieke strijd tussen patriotten en orangisten, die steeds heftiger vormen aanneemt. Door de patriotten opgerichte burgermilities of ‘exercitiegenoodschappen' hebben officiëel ten doel het vaderland te verdedigen, maar dienen ook om hun politieke invloed te vergroten. Op tekst van de patriottisch gezinde Bellamy schrijft Nieuwenhuysen een marslied voor de Utrechtse compagnie De Zwarte Knegten, De vrijheid wenkt (te vinden in de moderne uitgave door Gert Oost). De in deze brief genoemde Marsch van 't Exercitie genoodschap is door Otto Dirk Gordon (1740-1820) geschreven voor het exercitiegenootschap Pro Patria et Libertate, waarvan Gordon commandant was.

Hoewel Nieuwenhuysen in deze brief duidelijk blijk geeft van zijn patriottische gezindheid, is zijn vriend Kleyn geen politiek medestander. De prinsgezinde dichter heeft Utrecht wellicht al in 1783 verlaten. Hij brengt de volgende jaren met zijn vrouw Antoinette Ockerse door op zijn landgoed nabij Hoge en Lage Zwaluwe. De door Nieuwenhuysen getoonzette gedichten van Kleyn en Ockerse zijn sentimenteel van toon, naar voorbeelden uit de Duitse Empfindsamkeit.

 

propatriaetlibertate

Exercitiegenoodschap Pro Patria et Libertate oefent in het Sterrenbos bij Utrecht. Bron: Collectie Utrecht

Nieuwenhuysens patriottische sympathieën schijnen zijn carrière niet te hebben geschaad. In 1788 viert Utrecht het machtsherstel van de stadhouder met een plechtigheid in de Dom, in aanwezigheid van Willem V. De ‘ervaren Componist en Organist F. Nieuwenhuizen’ is volgens een krantenbericht ook dan op zijn post.

 

Utrechtsche Extra-Courant, 18 september 1788, gecit. naar Buijnsters p. 198

Nieuwenhuysens patriottische sympathieën schijnen zijn carrière niet te hebben geschaad. In 1788 viert Utrecht het machtsherstel van de stadhouder met een plechtigheid in de Dom, in aanwezigheid van Willem V. De ‘ervaren Componist en Organist F. Nieuwenhuizen' is volgens een krantenbericht ook dan op zijn post.

De tekst van de op pagina 2 van deze brief geciteerde cantate De starrenhemel is van Hieronymus van Alphen (1746-1803). Van Alphen heeft de tekst, samen met die van De Doggersbank en De Hoope der Zaligheid, gepubliceerd in zijn Mengelingen in proze en poëzij (1783). Hij vermeldt daarbij dat Nieuwenhuysen de taak op zich heeft genomen om deze drie cantates op muziek te zetten. Van zijn werk aan De Starrenhemel was tot op heden niets bekend. Ondanks de bewondering van zijn dichterlijke vrienden wekt Nieuwenhuysens commentaar op de tekst - dat de woorden niet op zijn melodie passen - twijfel aan zijn compositorisch inzicht: blijkbaar heeft hij de zin niet als een muzikaal geheel weten te vatten.

Nieuwenhuysens timmerende echtgenote is Cornelia Martina Houtkamp, moeder van Johan Frederik (1784-1851), die zijn vader opvolgde als phonascus van het stadsmuziekcollege. Na het overlijden van Cornelia is Nieuwenhuysen in 1815 getrouwd met Catharina van Maarsseveen (1787-1875), moeder van zijn tweede zoon, Wilhelm Johan Frederik (1818-1869). Deze volgde zijn vader op als organist van de Dom, en is daarmee de voorganger van Richard Hol en Johan Wagenaar.


In de laatste alinea van deze brief lijkt Nieuwenhuysen te suggereren dat hij wel een alternatief weet voor de ‘gruwelijken’ staat waarin hij verkeert met Cornelia. Zijn verwijzing naar ‘Jochem de Spinder’ past niet in die uitleg. Dit is een personage verzonnen door de patriottische auteur Pieter ’t Hoen, in een satire gericht tegen de klieken die tegen betaling stadhouder Willem V toejuichten. In dit nog steeds vermakelijke stuk biedt de handwerksman Jochem zijn diensten aan als toejuicher, met een uitgebreide tarieflijst (inclusief medische kosten wanneer hem de ribben worden gebroken). Het artikel is verschenen in ’t Hoens weekblad De Post van den Neder-Rhijn (juni 1783).

 

Deze compositie schijnt verder onbekend te zijn; vgl. Buijnsters p. 199.

Een deel van Nieuwenhuysens oeuvre schijnt door brand verloren te zijn gegaan. Enkele composities zijn aanwezig in de bibliotheek van het NMI. De meeste uitgegeven en onuitgegeven werken zijn te vinden in de catalogus van de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Ze bevinden zich echter in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek (UvA), als onderdeel van de voormalige Toonkunst-bibliotheek.

 

Buijnsters p. 197

Dit is één van zes brieven (en twee brieffragmenten) van Nieuwenhuysen aan J.P. Kleyn, door de achterkleinzoon van J.P. Kleyn in 1911 ter beschikking gesteld aan de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis (tegenwoordig KVNM). Het voornemen deze in het tijdschrift van de vereniging te publiceren is niet uitgevoerd, hetgeen misschien samenhangt met het feit dat er tussen 1908 en 1914 geen aflevering van het tijdschift is verschenen. In de loop van 2013 of 2014 zullen alle brieven waarschijnlijk alsnog in een of andere vorm gepubliceerd worden.

Lodewijk Muns, 9-11-2012

Wegens inkrimping van de organisatie wordt deze serie niet voortgezet.


   

Bronnen:

Aa, Abraham Jakob van der. 1862. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Dl 10. Haarlem: J.J. van Brederode

Balfoort, Dirk J. 1981. Het muziekleven in Nederland in de 17de en 18de eeuw. 2de herz. dr. [...] door Rudolf Rasch. 's-Gravenhage: Nijhoff.

Buijnsters, P. J. 1973. Hieronymus van Alphen (1746-1803). Assen: Van Gorcum.

Hoen, Pieter 't. 1781-1798. De post van den Neder-Rhijn. Utrecht: Gisbert Timon van Paddenburg

Horde, Marijke. 2010. Frederik Nieuwenhuysens "Ouverture Intrada" voor het 150-jarig jubileum van de Utrechtse Universiteit (1786). Master thesis Utrecht

Nijland, Johanna Aleida. 1917. Leven en werken van Jacobus Bellamy (1757-1786). Leiden: Brill.


Oost, Gert. 1975. Nederlandse klaviermuziek uit de achttiende eeuw. Sneek: Boeijenga.

Riemsdijk, Johan Cornelis Marius van. 1881. Het Stads-muziekcollegie te Utrecht (Collegium musicum ultrajectinum) 1631-1881. Eene bijdrage tot de geschiedenis der toonkunst in Nederland. Utrecht: J.L. Beijers.

Theeuwen, P.J.H.M. 2002. Pieter 't Hoen en De Post van den Neder-Rhijn (1781-1787): een bijdrage tot kennis van de Nederlandse geschiedenis in het laatste kwart van de achttiende eeuw. [S.l: s.n.].

Wissing, Pieter van. 2006. Joannes Petrus Kleijn 1760-1805, Dichter en Raadsheer. In: Jan Kuys e.a. Biografisch woordenboek Gelderland. Dl. 5. Hilversum: Verloren.

   

Labels